Yes! De dag van de liefde: zondag! Ja, je moet jezelf ergens mee troosten als je op een dag als vandaag geen ‘liefje’, ‘schatje’ of ‘honnepon’ hebt. Ik sta op het perron, wachtende op een vertraagde trein. Tijd genoeg om mensen te observeren. Grappig, ongeveer elke vijf minuten zie ik een andere jongen met hetzelfde bosje bloemen langslopen.
Eén van hen valt me op in het bijzonder. Hij heeft het koud, of is zenuwachtig. Hij ijsbeert op 2 vierkante meter een klein stukje van mij vandaan. Vast onderweg naar zijn Valentijn. Niet omdat het kan, maar omdat het moet. Ik hoor hem bijna denken: ‘zal ze straks doorhebben dat dit bosje bloemen me slechts 3 euro gekost heeft?’ Heb ik het met hem te doen?
Valentijnsdag. De dag dat zichzelf laat promoten als de dag van de liefde. De dag van de ander verwennen. De dag van het origineelste vriendje. De dag van snel even langs de ‘AH to go’ voor een bosje bloemen. De dag van romantisch doen – niet zijn. De dag van ‘weet je nog, hoe verliefd we zijn?’ De dag van vingers in je oren en ogen dicht. Gewoon negeren.
Is dit niet gedwongen liefde? Is het raar te denken dat deze dag een spontaniteit-killer is. Dat het na vandaag weer 364 dagen afzien is. Dat vandaag inhalen is. De achterstand goedmaken. De vlinders redden. Misschien is het een naïeve gedachte dat vandaag overbodig is en misschien zelfs wel averechts werkt. De optimist in me zegt dat we zonder deze dag veel meer liefde geven. Echte liefde.
Natuurlijk. Een ontbijt op bed is alleen maar mooi. Romantisch samen dineren vanavond, daar is toch niks mis mee?! En een doosje chocolaatjes, waarom niet? Een bosje ‘AH to go’ bloemen: beter dan niks. Maar wat nou als het ons, als is het maar een klein beetje, immuun maakt voor de impulsieve lieve dingen? Dat er altijd een stemmetje in je hoofd fluistert ‘wacht nou maar, 14 februari is dé dag’. En dat als het dan zo ver is, het zelfde stemmetje zegt ‘het is 14 februari, nu moet je wel…’
De trein komt aan. De jongen stopt met ijsberen. Hij kijkt langs de trein, knijpt zijn ogen een beetje samen, stelt scherp. Er lopen veel stelletjes de trein uit. Daartussen één bejaarde vrouw, ik gok 82. Ze kijkt wat zoekende. De jongen ben ik inmiddels uit het oog verloren. Ik kijk weer naar de oude vrouw, ze glimlacht. Ik volg haar kijkrichting. En plots zie ik de jongen weer, hij glimlacht. “Dag oma, fijne Valentijnsdag!” Deze jongen heeft zijn oma zojuist ultiem gelukkig gemaakt. Misschien moet ik niet zo zeiken. Zo kan het ook.